Nouch & het luikje van linksonder
De onovertroffen Nouchka Huijg slingert surreële taferelen de wereld in alsof het geen moeite is. Een van haar podia is smileinyourface.com, via welk weblog ze elke week(?) een surreëel tafereel de wereld in slingert.
Vandaag schreef ik ‘Luikje van linksonder’ op één van haar surreële taferelen.
Wat vinden jullie, zouden we meer samen kunnen doen?
Luikje van linksonder
“o ja wilde ik je nog vertellen, gisteren
zocht ik weer je luikje op, je luikje van linksonder. ‘t
stond open. ja open. nee gewoon open! dat zal wel ja. moet
je ‘t maar niet openlaten als je slaapt. het
bereik is hier trouwens weer klote. wat zeg je,
nee, ik heb alles zo gelaten. alles ligt nog zoals ik het vond.”
…
het zo fijn vond
fijn bij daar
hem zijn luikje van linksonder
heb ik heb
ik heb ik heb
ik heb ik durf het niet te zeggen
ik heb
ik heb
ik heb
ik heb
ik heb
ik heb
ik heb de pinnen uit de scharnieren van zijn luikje van linksonder
ze eruit getikt een hamertje zijn luikje van linksonder
nu kan het niet meer dicht, zijn open luikje van linksonder
ik vertelde iedereen ik heb gezegd aan iedereen hoe fijn het is, linksonder hem bezoeken en hoe makkelijk.
zonder luikje
voel me zo
voel me zo
voel me zo
voel me
zo veel zin om te bezoeken
weer bezoeken
Dieren!
Dieren. Dieren. Dieren. Op dit moment zitten we in een houten ´villa´ (sierlijke blokhut op poten) met drie beo´s in kooitjes ernaast. Het lijkt erop dat een eerder hotel met succes een beo op de receptiebalie pleurde, en nu doen andere hotels hun best om dat eerste hotel qua beo-volumes te voertreffen. Beo’s zijn wel extreem geestig. De eerste beo die we hier op Bali zagen, imiteerde feilloos het geluid dat een 1e generatie Nokia maakt wanneer een sms binnenkomt. Tránen in de gen van nostalgische ontroering. Nokia forever.
Het volgende dier is Jx, die binnenkomt bij mijn geschrijf, als een koala om mijn schouder komt hangen en mij luid snuffend in het oor bijt.
Na de gecko’s die hun eigen ogen likkend toekijken terwijl je kakt, hebben we ook mini-koetjes in de sawahs gezien, mini-ploegjes trekkend terwijl mini-boertjes ze door hun mini-rijstveld aanmoedigen: beetje harder, heilig minikoetje! Nog een heel klein stukje! De je mini-koetjesbest!
Eindeloos veel kipjes. Van Amed tot Lovina, van Munduk tot Sidemen: kleine kipjes die hun met kleine kipfilétjes uitgeruste botjes van hot naar her scharrelen, het vege lijfje proberend te redden tot de pan zich over hen ontfermt. De hamvraag bij zoveel anarchistisch pluimvee: Wie voert wiens kipje? vraag je je af. Al die kipjes scharrelen bandeloos zonder hekken of hokken, en hoe houdt het dorp bij wie wiens kipje is? Komt warung 1 weleens bij warung 2 klagen waarom warung 2 de kip van warung 1 heeft ontkopt?
Tot zover de dieren van Bali, er zijn er meer maar het internet is schaars. In ander nieuws: het grootste insect dat ik ooit zag hapte bijna mijn hand eraf. Nu ja, bijna, ach, wat zou het, het zat op een blad en keek me vuil aan. Bij deze een foto. Wie kan zeggen Welk dier dit is? Ik google nu al een kwartier zonder resultaat.

Notitie vanaf Amed, ook Bali
Selang, Amed.
Ook hier is het warm; ik mediteer mezelf in slaap. Ik grijp in in de stroom van mijn gedachten en zet de voortdurende informatie die mijn lijf mij geeft ‘hetiswarm-hetiswarm-watishetwarm-maagwarm-hoofdwarm-benenwarm-rugwarm’ UIT. Preciezer gezegd niet UIT, maar ik verlaag er de prioriteit van. En dan slaap ik in, want die lichtkrant van impulsen over hoe godskolere warm het is, is eigenlijk het enige dat me van slaap weerhoudt.
ALs hier geen toerisme was geweeest, was er niets dan de zee geweest en het wachten op regen. NU er wel toeristen zijn, kunnen wij er ook komen, en we wachten hier samen met de locals op regen.
Als hier geen toerisme was geweest, was er niets dan fruit en vis. En kippen. En takken en stro om huizen van te bouwen. En eigenlijk daar kun je prima van en mee leven, als mens-dier. Je wordt geboren, er is niets dan fruit en vis, je maakt kinderen met een lief meisje uit het dorp, je sterft. Je verzint goden voor de zaken die je niet snapt. Je ontwerpt met z’n allen ceremonies om de tijd te doden, rituele hanengevechten om te voorkomen dat je elkaar de kop in slaat. De van bamboe gevlochten kooien, elk met een rustige, statig staande en af en toe dominant kraaiende haan vinden we langs de weg. Het was een ontnuchttering om te lezen dat ze voor hanengevechten worden gebruikt – vaak tot de dood.
Nu er toerisme is, zien de locals met stekende scherpte hoe gourmet en gulzig er te leven valt. To show them the way: hen wier mond het eindpunt is van ettelijke honderden internationale vrachtverkeersroutes. Wij. In Ubud was de kloof tussen toerist en Balinese local al gapend aanwezig, maar hier is het contrast nog sterker. Vanaf de zee het land op wandelend betreedt de huiswaarts kerende snorkelaar allervooreerst het terrein van zjn resort-achtige hotel – deze delen het strand dan nu nog met de vissers, maar hoe lang dat duurt is niet gezegd. Daarachter, waar de locals wonen is de grond droog en de berghelling steil. Er is de zee, een smalle strook gulzig toerisme en dan de berghelling, bruin en wachtend op regen.
We zijn verbrand, Jx en ik. We hebben gisteren overdag gesnorkeld als naieve vierjarigen en onze bleekbleke huid is rood en gloeit. Een vrouw komt ons een massage aanbieden terwijl we samen staan te praten. Jx vertelt me later dat deze vrouw een schurftige huid had, en dat haar onderlip trilt (frustratie, armlastigheid, wanhoop) terwil ze, in massageverkoop verkapt, om geld bedelt. Als er geen toerisme was, was ze geen masseuse geweest. Had ze nog niets gehad. Had ze dan honger geleden? Lijdt ze nu honger? We vragen het niet.
bali en smali en tien pond fali
Het is hier: waaaaaaaaaaaaaaaaarm. Op dit moment althans. Jannex is zich aan het laten verwennen door beauty-types, nagels verven en massage-iets, ik doe internet en verder even helemaal niets want had ik al gezegd dat het waaarm is. Dat duurt tot drie uur, daarna wordt het weer doenlijk.
De aanvankelijke jetlag ligt bijna achter ons. Tot vannacht: opblijven op de verandah van een koloniaal aandoende junglebungalow, luisterend naar de kreeksels en de kiksels. Krie-krie-kwor-kwor-krie-krie-kwor-kwor. Kom kies mij, kom kies mij, kom kies mij.
We rijden sinds gisteren rond op 1 scooter. Janneke stuurt, ik zet op slot. De omgeving ZO GROEN. Steek een stok in de grond en het is palmboom, pies naast de pot en je schept een struik naast-de-pot-pies-petunia’s. overigens is de stoelgang een avontuur op zich, ook zonder dit ge-overdrijf. Gekko’s staren je aan, met flitsende tong hun eigen ogen likkend, terwijl je.
We zwemmen veel. Janneke doet yoga en ik heb sceptisch commentaar op de commerciële achtergrond van al die yoga-zooi, en janneke doet toch yoga. We lezen als het heet is. Er zijn veel nederlanders, veelal met een boeiend of in elk geval vermakelijk verhaal. vluchtige vrienden. Ik neem foto’s van kleine dieren.
Die meer of minder commerciële yoga-zooi heeft hier op een min of meer aangename manier diep huis gehouden, wat erin uitmondt dat alles alles alles gericht is op de welgestelde dertiger-vrouw met existentiële vragen, een eclectische smaak en een ex die vaak pas net exit is gegaan. Er zitten onverbloemder gezegd in Ubud nogal wat vrouwen op zoek naar zichzelf en een banaan-geelwortel-cacao-aloeevera-smoothie. Voor ons betekent het dat het hier eigenlijk gewoon extreem goed toeven is, en dat we vaak achteraf ergens om moeten glimlachen. ‘s Nachts roepen de kikkers en de krekels, overdag de vrouwen.
Verder heb ik bezoek gekregen van een oude bekende. hij klopte op mijn longen nog vóór ik in het vliegtuig stapte, dus hij is hier ook een vreemde, maar laat ongegeneerd met gierende uithalen van zich horen: bronchitis! Joh, jij hier. Ik kreeg de bevestiging vanochtend van de Balinese dokter, en meteen een stapel antibiotica. Geen koorts, wel aanhoudend hoesten. Vermoeiend. Voel me verder prima. T zou binnen een week moeten overgaan.
Tot zover deze notitie. Nu voort lezen in Salman Rushdie, Midnights Children. Volgende reis naar India, please. Voor nu: morgen rijden we waarschijnlijk naar de kust. Snorkelen en betere lucht voor de bronchiën.
Eerste schets van een nieuwe sheut
Waar is mama?
-Dag zoon.
-Goeiemorgen pa.
-Zeg… over gisteravond. Ik hoop dat je je daar niet te veel van aantrekt. Ik had ook wat veel gedronken, en dan word ik… wat roekeloos, denk ik.
-Wat radicaal?
-Wat radicaal, ja. En depressief, ook.
-Hm. Depressief, en geagiteerd ook, was je.
-Ja, teveel gedronken. Dan krijg je dat.
-Hoeveel wijn ging erdoorheen?
-Ik denk één, anderhalve fles de man.
-Pff… pittig. Waar is mam?
-Die hangt boven de plee.
Ik ben gek op m’n pa. Hier is een schets van een nieuw idee voor een liedje.
Herfst
laten nu hun blaadjes los
één voor één de bomen uit
rustig, haast zonder geluid
goed dat dat zo stil gebeurt
niet het loof ineens neerpleurt!
pleurde in één klap neer het loof
Man met piel op eiland
Hete adem van de Nacht
Zin had ik er niet in, deze Nacht van de Poëzie. Tweet @bodejong, vooraf: “Nacht van de Ppoeeezie. Totáál geen zin in. Toch ga ik. Ondanks de tegenzin. Toch gaan. Dikke piemel met de tegenzin. Wel. Nee. Ja. Piemel.”
Heb je een nieuw woord geleerd, vroeg N naar aanleiding van die tweet. Ik bromde wat ontwijkends, omhelsde haar. Dan een kus voor Sven Ariaans, die ik later die avond in een slamfinale het teruggevonden broertje van mijn Wees zou noemen. Verder stapte ik met een zeiknatte spijkerbroek van de regen en een ziedend hoofd gans alleen de Schouwburg binnen. Geen vriendin om alles mee te relativeren. Geen vrienden. Zelfs Krijn Peter Hesselink zei nee. Ik had ze graag bij me gehad. Chottferrtomme, was ik opgefokt. Ik verwachtte een avond waarin ik te snel te veel zou drinken en vervolgens na een paar mooie rondes onvermijdelijk een te aangeschoten kutronde zou meemaken, waarin ik eruit ging. Boos op mezelf, omdat ik geen bus vrienden had opgetrommeld. Boos omdat ik mezelf door dit soort overwegingen liet opfokken. Boos en onzeker. Die avonden ken ik. Ook daar had ik geen zin in.
‘Hoeruh.’
Niets gegeten ook. Vorige jaren was een buffet nog toegankelijk geweest voor de slammers, dit jaar was er niets van dat, enkel een paar okéë maar als maaltijd ontoereikende snacks. Toch was het eerste dat ik bestelde een pils, en dat veranderde niet of het moest daarna nog wijn zijn. En ik had de tijd om te veel te drinken. Ik hoefde pas om half twaalf te slammen, in de laatste poule. Tot dat uur gingen drie poules me voor, waarvan ik de eerste zag en de derde. Maar zien is een groot woord. Ik stuiterde van tribune naar de bar, sprak verwarde gesprekken met alle bevriende slammers. Sander Meij, Pim te Bokkel, Martijn den Bakker kwam ik met Bernard Wesseling steeds op de trappen van de schouwburg tegen. Wanneer die gasten zich in een groep bewegen vind ik ze intimiderend, hoe graag ik ze per stuk ook mag, en hoe graag ik met ze mee zou willen brallen. Mijn brallen is in vergelijking slechts een amechtig gepreveld ‘La la la, hoeren’. Zonder uitroepteken. Ik liet ze twee keer voorbijgaan, zonder echt met ze te spreken.
Binnen in de zaal op de tribune had ik evenwel moeite om mijn mond te houden en niet als een of andere heckler uit het publiek foute opmerkingen te roepen. Hou je kop, fluisterde ik mezelf regelmatig in. Een paar keer flapte ik er toch iets uit. Ik weet niet meer wat. Ik weet wel dat ik mijn stem schor geschreeuwd heb toen Kira Wuck haar eerste ronde gedaan had. Ik wil vaak schrijven zoals zij kan schrijven en ik wilde dat ze zou winnen.
‘ik ga op mijn bek’
Uitgelaten en in dezelfde losgeslagen staat voerden we de rest van de avond vooral inhoudsloze uitwisselingen van scherp gerande vrolijkheid met elkaar, de slammers en ik. Met Jur Smit, met Wibo Kosters, met Merijn Schipper, waarbij er van de andere kant iemand ‘I AM THE WALRUS’ brulde, en ik ‘COOCOOKACHOO’ terugbrulde. Inhoudsloze ‘hoeistmetjou’-geneuzel, vond ik het, grotendeels. Ik draai al te lang mee in die kutslam, dacht ik, ik houd ermee op, straks is het half twaalf en ga ik op mijn bek, omijngod ik ga vast iets ráárs doen, ik heb maar één goed gedicht en zelfs dat heeft uiteindelijk alleen dat ene leuke beeld – bovendien kent iedereen ‘m al, hoe moet ik ‘m een nieuw jasje geven – wacht ik weet het al, ik plak mijn gezicht vól met die plakletters (er lagen plakletters) nee dat is geen goed idee maar ik ga vást iets anders geks doen… hetzelfde doen als altijd kán toch niet - kortom het zag ernaar uit dat het precies de uit de bocht vliegende performance ging worden die ik vreesde. Tot op het moment van aantreden wist ik niet welke gedichten ik ging doen.
Jaloersmakend
Het werd elf uur, ik landde op aarde, verloor mijn opgevoerde boosheid. Dan bedacht ik me dat ik dus straks op het podium niet eens meer mijn woede zou hebben om me tot een prestatie te drijven. Dat was zo mogelijk nog erger: een futloos verliezen. Met Marein Baas rokend voor de Schouwburg voerde ik een gesprek van deze larmoyante strekking, terwijl hij iedereen kende en groette die voorbij kwam, en wij samen blij voor hem waren dat alles hem zo voor de wind ging. Marein probeerde me op te monteren omdat ik al mijn eigen bezigheden kut en nep vond. Meisjes probeerden hem te versieren na zijn winst in eigen poule. Hij was jaloersmakend.
Uiteindelijk kwam vlak voor half twaalf de woede terug, en dat ‘schijtschijtschijt’-gevoel heeft me de avond doen winnen. Ik dronk rustig door, bestellingen werden bier en wijn door elkaar, ik hield alleen mijn frustratie vast en, eenmaal op het podium, kanaliseerde die in een soort gecontroleerde gekte, zoals ik later tegen Sieger Baljon piepte, na zijn uitstekend voorgeblafte Johnny van Doorn-emulatie waarbij hij eerst mij en daarna de hele zaal meekreeg in een uitzinnig geschreeuwd ‘ALS EEN MAGISTRALE, STRALENDE ZON!!!. Kan ik alleen goed slammen als ik me kut voel?
Valt mee.
Misschien valt dat wel mee. Ik merkte dat de eerste rondes van mijn poule niet slecht gingen. Sven Ariaans maakte me daarop attent, en ineens viel er een last weg. Ik had Botnek noch Koe Klap uitgesproken, ik had al een nieuw gedicht gebracht en eigenlijk besefte ik dat ik hoedanook blij was er te zijn. Ik deed de finale van onze poule met hem, noemde hem het verloren gewaande broertje van mijn Wees en omhelsde hem nadien. Het was wel goed zo, zei hij.
Vlak voor de ronde met de andere poulefinalisten besefte ik dat ik al mijn bekendste gedichten al gebracht had, en dat het publiek – dat van de vierde pouleronde naar de finale gewoon bleef zitten – die gedichten dus al kende. Ik mocht mezelf niet herhalen. Verwoed zocht ik naar wat ik nog te brengen had. Hoopte dat ik niet te dronken was om nog met enige overtuiging de tekst van ‘Onbekende Tegenover’ te doen – eigenlijk een liedje uit de voorstelling met Winterjong, maar nu voor de gelegenheid tot gedicht omgesmeed. Kwestie van niet zingen.
Als ik nu maar niet voor de finale al gepiekt had.
Als ik nu maar niet al mijn vonk kwijt was. Nee. Ik bleef die gecontroleerde gekte warm houden. Ik dronk in twee teugen een glas wijn leeg dat iemand ergens had laten staan. Kira en ik bleven over nadat we met Marein, Nanne Nauta en Josse Kok de voorlaatste ronde hadden geslamd en toen brak een metal-classics brassende fanfareband het zaaltje binnen om ons mee te nemen. Ik wilde dat het over was, Kira en ik waren lief tegen elkaar. Ik vind haar gedichten zo mooi, het zou geen straf zijn van haar te verliezen. Ik rende de trappen af voor een sigaret en wist me geen houding te geven tegenover de als vanouds brallende Festina-club die ik tevoren steeds op de trap had ontmoet. Bralde wat de camera van Peter M van der Linden in. Like me, please like me.
‘Je hebt je theater’

Ik moet denken aan Amadou en Maryam, het blinde zang-duo uit Afrika, zo schuchter als we daar staan.
In de grote zaal van de Schouwburg waren de stoelen nog voor tweederde gevuld. Het was laat, maar de aandacht was er nog. Ingmar leidde Kira en mij naar het katheder, waar Bob Fosko net door de fanfare-metal onderbroken was. Kira en ik slamden elk wat gedichten. Maak het zo groots als je kunt, hield ik mezelf voor. Dit is een grote zaal, een galmzaal. Wat je op Kira voor hebt is je theater. Zij mag winnen, maar de zaal niet. Je gaat je niet door deze ruimte laten intimideren. Botnek kwam er nog wat ongecontroleerd en waanzinnig uit maar Aan ieder die mijn schouders stuurt (ik heb gezien dat als het brood op is je geen vriend meer hebt) galmde door de ruimte zoals ik had gewild. Gooide om af te sluiten nog wat koeien van de klif, deels om de boosheid van de eerste twee te relativeren.
Kira had kunnen winnen, als Arnoud Rigter had gewild. Zijn stellige ’het is groen’ gaf de doorslag, toen het aantal groene en rode bordjes elkaar zo nabij leek dat niemand met zekerheid kon zeggen wie nu boven kwam drijven. Bij 8weekly schrijft Emy Koopman ‘Toch duurt het tellen van de stemmen lang, Boris’ theatrale persoonlijkheid en waarschijnlijke drugsgebruik zijn niet aan iedereen besteed.’ Klopt. Kira schrijft zo teer, zo raak. Wat me verbaasde was vooral dat het publiek ook om kwart over twee ‘s nachts daar nog oor voor had.
Geen Nachtmerrie alleen in de Schouwburg

Op de trappen van de Schouwburg.
Ik ben te snel naar huis gegaan. Toen ik van Gina de gouden trol, gnoom, kobold of wat het beesteken ook is in mijn handen had, wilde ik eigenlijk alleen maar naar grote groepen vrienden om nog door te drinken, maar ik besefte ook dat ik alléén naar de schouwburg was gekomen en eigenlijk nog net zo onzamelijk liep. De fotograaf van het Nationale Boekenblog zette me op de foto en ik wist dat daar, alleen op de trappen, mijn plek was die avond. Zin om voorzien van gouden nachtmerrie in mijn eentje door de afzwaaiende schouwburg te dwalen, felicitaties in ontvangst nemend maar niet in staat tot een gesprek van enige waarde, had ik niet. Naar huis dus, en snel.
Tot op het NK, lieve types. Ik mag jullie allemaal graag en zou het met jullie allemaal weer eens ergens over willen hebben.
Denkend aan Holland
Een van mijn meer recente MS-Paint-afbeeldingen. Hoort bij het gedicht Denkend aan Holland:
Denkend aan Holland
zie ik een robotisch-mechanisch schaap
dat met talloze
als in razernij in de lucht trappende
poten
doelloos kwijlend
in een traag, oneindig weiland
kortsluiting ligt te maken.
De Zwoele Stad
Zojuist heb ik een DVDtje verstuurd naar Lynn Hutchinson, de arrangeur die tekende voor ‘Ochtendgebed’ en die nu weer sinds kort veilig terug in Los Angeles woont.
Ochtendgebed - lome ballade over wakker worden en g’weun blijven liggen – kende in aanvang nog een Engelstalig eerste couplet, bij wijze van non-conformisme. Onlangs kwam ik een opname van het Engelstalige origineel tegen op de archiefsite van AT5: een clipje uit De Zwoele Stad van 2 juli 2009.
Let ook niet op de verhaspelde ‘Zo mooi’ in het tweede couplet. Wat een kater allemaal niet vermag.



